Het Stroombroek
Roek
Een grote, zwarte kraai met een krachtig paarsblauwe gloed. Zijn steile voorhoofd, puntige snavel en losse veren van de onderdelen geven hem een kenmerkende vorm. Op de grond toont hij wat smaller in de schouders en met een breder lichaam dan de zwarte kraai en hij loopt waggelender; in de vlucht heeft hij een rondere staart en puntiger vleugels. Hij is rumoerig en sociaal, foerageert in groepen en broedt in kolonies.
Roeken zijn niet eenieders lievelingsvogels, maar ze worden onderschat. Ze zijn onlosmakelijk verbonden met platteland, zowel op het vasteland van Europa als op de Britse eilanden, waar ze te vinden zijn in open landschap met verspreide bomen, lanen en bosschages omgeven door akkers, weilanden en stoppelvelden tussen oude, dichte heggen en begraafplaatsen. Er zullen op zulke plekken altijd roeken zijn, roepend met hun prachtige, warme klanken, vaak in scherpe tegenstelling met de heldere, hoge roep van de kauwen die er meestal ook te vinden zijn. Tegenwoordig zijn roeken ook langs autosnelwegen te vinden, waar ze foerageren op insecten die door het verkeer zijn dood gereden, maar ze zoeken ook in het afval van broodkorsten en andere voedselresten bij benzinestations, waar ze opvallend tam en doortastend zijn.
De roep is gevarieerd, met vaak gesmoorde, bijna rinkelende, trompetterende roep, gemengd met ratels en schorre klanken tot een soort zang. Hun gebruikelijke roep is een ruwer, vlakker en wat meer open kaah kaah kaah dan de zwarte kraai.

Groenling
Een forse, sociale vink, gekenmerkt door gele strepen langs (maar niet dwars over) zijn vleugels en staart en met een opvallende, grote, lichte oranje-roze snavel. Foeragerende groepen vliegen op in dichte, gesynchroniseerde groepen na verstoring.
Er zijn kleinere vinken die even groen en geel zijn, maar die zijn niet zo groot en stevig of zo egaal en ongestreept als een groenling. Het is een vogel van hoge, overgroeide, doornige heggen, boomgaarden, oude tuinen en parken, met veel bomen en gordels hoge, loofbomen zoals linden en populieren. ’s Winters trekken groenlingen naar open akkers, de randen van kwelders en zelfs de oevers van meren waar zaden bijeengedreven worden door de wind. Ze mengen zich vaak onder mussen, vinken en andere zaadeters zoals riet- en grauwe gorzen.
Hun zang is een luide, staccato, trillende ratel, gevarieerd met meer muzikale noten en een aangehouden, ijl dzwieeee. De gewone vluchtroep is een triller, die minder hard is dan die van barmsijzen, maar steviger dan die van de kneu: chichichichichichit. De roep is gevarieerd, waaronder een triller chil il-il-il, een luid kruisbekachtig chup en een nasaal diuwie.
Beoordelingen
Afdrukken