Vogelkijkpunt Lemelerberg
Tapuit
Een kleine, fraaie, opgerichte vogel die veelvuldig op de grond te zien is. De staart is wit met een fors zwart T-patroon. Mannetjes zijn in het voorjaar grijs van boven, terwijl ze in andere verenkleden veel meer bruin en beige zijn.
De eerste koekoek of boerenzwaluw is misschien populairder als eerste teken van de naderende lente, maar voor veel vogelaars is het de aankomst van de eerste tapuit begin maart. Gewoonlijk komen de mannetjes eerst, een paar dagen voor de vrouwtje en hij ziet er ongelooflijk strak uit. Hij is vaak te vinden op een strookje grasland langs de kust, of op een heuvel verder in het binnenland, maar waar hij ook wordt aangetroffen, hij zal opvliegen om enkele tientallen meters verder weer te landen, waarbij de felwitte stuit even in het oog springt voor hij snel uit zicht verdwijnt. Tapuiten gedragen zich in de herfst hetzelfde, wanneer doortrekkers op open terrein met gras, strandjes, golfterreinen, geploegde akkers of de oevers van waterreservoirs in het binnenland opduiken. In het zomerse broedseizoen hebben tapuiten echter een combinatie van kort gras waarop ze foerageren en verspreide stenen en rotsen nodig om tussen te nestelen.
De zang is muzikaal en snel, maar met veel harde klanken, krasserige roepen en ratels: De roep is typisch hard en dubbel of driedubbel: chak-chak of hwiet-chak-chak.

Koekoek
Onmiddellijk te herkennen aan zijn unieke roep, toch wordt hij door velen niet gezien of herkend. Hij zit vaak in een boom, op een hek of een draad. Hij lijkt in de vlucht op een kleine roofvogel, maar hij vliegt in een zware houding met een opgerichte kop en lage vleugels.
Het is opmerkelijk hoeveel mensen zeggen dat ze vaak een koekoek horen maar er nooit een hebben gezien. Toch zullen ze er wel een hebben gezien zonder dat ze dat wisten, want koekoeken worden gewoon niet herkend. Ze zijn niet zo moeilijk te zien. Ze gaan inderdaad openlijk op draden en op de buitenste takken van bomen zitten, maar ook op hekjes met uitzicht op ruig grasland, weilanden of moerassige plekken. ’s Zomers moeten ze de nesten van zangvogels vinden om te parasiteren, zodat ze vaak te zien zijn in vochtige gebieden met struiken waar ze zoeken naar graspiepers, moerassen waar ze kleine karekieten kunnen vinden of nabij bossen, heggen en parken met broedpopulaties van kleine soorten zoals winterkoningen en heggenmussen.
Koekoeken laten vaak hun vleugels hangen en richten hun staart op die ze ook spreiden als teken van agressie naar andere koekoeken, of als baltsritueel naar potentiële partners. De zang van het mannetje is de bekende dubbele roep: koek-koek, of oe-oeoe van dichtbij, dat ze laten horen met vrijwel gesloten snavel. Het wordt al snel een koe-koe-koek en kan van sommige exemplaren nogal schor klinken. Ze roepen naar elkaar met een lage, lachende klank kwak-ak-ak-ak. Vrouwtjes hebben een snelle, heldere, schorre, bubbelende roep met een opmerkelijk vloeiende kwaliteit.
Beoordelingen
Bezoekers (8):
7,0
Criteria:
Leuk met kinderen tot 7 jaar:
Leuk met kinderen van 7 tot 14 jaar:
Leuk met jongeren:
Amusement:
Kunst en cultuur:
Prijs / kwaliteit:
Horeca:
BekijkenJouw oordeel
Afdrukken